19.10.11

Vuur!

De vlammen knetteren en de vuurvonken vliegen overal heen.
Grote, donkergrijze wolken stijgen boven het dak uit. Het oude huis staat in brand en is reeds één vuurzee!

De toeschouwers staan met ingehouden adem en rode ogen te staren naar het rieten dak waaruit fel oranje vlammen slaan. De reuk van brandend, schroeiend hout prikkelt hun neuzen en doet hun ogen tranen.
Gebiologeerd staren ze naar de brandweermannen die schreeuwend en gebarend heen en weer lopen. Bluswater buldert uit de brandslangen, maar de vlammen lijken sterker te zijn. Steeds weer laait het vuur op, slaan vlammen naar alle kanten en regent het vuurdeeltjes.
Opeens stort het dak met razend geweld in en bange kreten klinken op tussen de geschrokken mensen, die langzaam terug deinzen. In de late wintermiddag, waarin het al behoorlijk schemert, stuiven vonken, as en nevels bluswater over hen heen.
De vermoeide brandweermannen houden nog steeds de brandslangen gericht op de fel uitslaande vlammen en hun collega’s houden de nieuwsgierige mensen op afstand.

De toeschouwers zijn voornamelijk mensen uit deze buurt, een nette, maar wat gedateerde villawijk.
De huizen staan hier op geringe afstand en de tuinen grenzen zodanig aan elkaar dat men altijd wel zicht heeft op één van de naastgelegen huizen.
De straat, de Valkenlaan, is een met klinkers geplaveide, smalle weg met aan weerskanten een trottoir met oude tegels die op verschillende plaatsen verzakt zijn. De lantaarnpalen zijn verveloos en sommige geven geen licht. Er staan hier en daar wat bomen die hun kale silhouet naar de oranje verlichte hemel uitstrekken. Het geheel maakt een wat trieste indruk, deze buurt die vroeger vol leven was, met spelende kinderen en in bloei staande bomen, maar nu nog slechts bewoond lijkt door degenen die achterbleven.

Inmiddels zijn de vlammen behoorlijk gedoofd, maar de rookontwikkeling is enorm.
Het ziet het er naar uit dat men de brand meester begint te worden. Helaas kan, uit de naar elkaar geschreeuwde kreten van de brandweermensen ook worden opgemaakt dat de bewoners aanwezig waren in het brandende huis en, zo het er nu naar uitziet, ook een bezoeker.
Toeschouwers rillen als ze begrijpen wat dit betekent. Uit zo'n hel zou niemand kunnen ontsnappen! Een enkeling kan zijn tranen niet bedwingen.
Hier en daar zijn groepen mensen met elkaar in gesprek.
Uit hun gesprekken blijkt dat de bewoners een gepensioneerd leraarsechtpaar was.  Vriendelijke mensen die hun drie, inmiddels volwassen kinderen, al lang geleden uit huis zagen gaan en een eigen leven opbouwen, ver weg van de stilte van dit ouderlijk huis.
Men vertelt elkaar verhalen over het echtpaar. Iedereen heeft wel wat te vertellen. Een naaste buurvrouw weet dat de vrouw elke vrijdagochtend met de trein naar Den Haag ging en pas ‘s avonds weer terug kwam.  Dat ze een huishoudelijke hulp hebben die elke  woensdag op een scooter de straat in komt scheuren en na twee uurtjes weer vertrekt. Dat ze een grijze kat hebben die maar drie pootjes heeft. En dat zij bijles gaf aan zwakke brugklasleerlingen.
Een buurman vertelt dat al zijn kinderen op de middelbare school bij de man in de klas hebben gezeten en dat hijzelf altijd de bladblazer bij hem leent.
De mensen kunnen hun ongeloof niet verbergen en zijn intens geschokt door deze onverwachte gebeurtenis in hun anders zo rustige wijk.
Na een uur of wat maken de mensen zich langzaam los van de menigte en verdwijnen, al hoofdschuddend, uit het zicht.
Hier en daar staat nog wat buurtbewoners te praten.

In het donkere gedeelte van de straat, waar twee lantaarnpalen geen licht meer geven, staat een man alleen.
Hij kijkt op een afstand naar alles wat er gebeurt en mompelt zo nu en dan wat. De man is jonger dan de meeste buren die hier vanavond geschokt hebben gekeken naar het afbranden van de villa.
De onrustige, verwarde gedachten van de man zijn totaal anders dan de droeve gedachten van de buurtgenoten. In het hoofd van deze man heerst euforie, opluchting, bevrijding. Eindelijk is hij verlost van de kwelgeest die zijn geest nu al zo’n twintig jaar lang bezig houdt!
De leraar die hem het leven zuur maakte op de middelbare school, de leraar die nooit een goed woord voor hem over had. Nee... die in tegendeel, hem aanraadde de school maar te verlaten omdat hij er toch niks van terechtbracht. Die bij elke overhoring zijn staalblauwe, harde blik op hem richtte en woordloos overbracht dat hij een mislukking was. Die elk gemaakt proefwerk overhandigde met een diepe zucht en kleinerende woorden. Die halverwege het jaar al zei dat hij het wéér niet zou redden. En die volledig overtuigd was van de sombere toekomst van zijn leerling.
Díe ellendeling was er niet meer! Die kon zijn gedachten niet meer beheersen bij elk belangrijk moment.
Niet meer bij elke sollicitatie, bij elke test, hoe gering dan ook, zijn zelfvertrouwen doen instorten. Vanaf nu kon hij het loslaten en eindelijk een begin maken met zijn leven.
En nu zou het lukken!
Nu zou hij aan het werk kunnen en zou het gedaan zijn met die uitzichtloze aaneenschakeling van mislukkingen. Hij zou nooit meer het gevoel hoeven hebben dat hij een tweederangsburger was, een hersenloze niksnut. Zijn leven zou vanaf nu lichter zijn, vrolijker. Hij zou eindelijk kunnen leven zonder de schaduw van zijn kwelgeest.
En zijn vrouw en dochter zouden vast en zeker weer terugkeren als ze zagen hoe hij veranderd was.

Het schoolleven was tegenwoordig eigenlijk nog steeds dezelfde ellende, dacht hij.
Dat had hij gezien aan zijn dochter. Toen bleek dat ze niet kon voldoen aan de eisen die de school aan haar stelde zag hij hetzelfde patroon ontstaan van tanend zelfvertrouwen en zelfisolatie als destijds bij hem. Het sneed door zijn hart dat hij haar steeds bleker en stiller zag worden.
En ook de nieuwe, hippe, paarse fiets die hij haar gegeven had en waarvoor hij zich in de schulden had moeten steken veranderde niets aan dat droeve feit.
Zijn vrouw, die al lang niet meer bij hem woonde, had er alles aan gedaan om bijleshulp te krijgen toen bleek dat het kind het moeilijker en moeilijker kreeg. En dat was ook gelukt.
De laatste keer dat zijn dochter bij hem was had ze met een droef lachje gezegd dat ze, behalve hun uiterlijke gelijkenis, wel meer dingen gemeen hadden. Ze doelde natuurlijk op zijn mislukte leven, had hij gedacht.
En het was, voor de zoveelste maal, met intense scherpte tot hem doorgedrongen dat hij niks van zijn leven terecht had gebracht, dat hij mislukt was op álle fronten. Hij was zelfs niet in staat geweest zijn kind een betere toekomst te bieden.
Hij moest een einde maken aan die neergaande spiraal, had hij toen gedacht. Hij was het aan zijn dochter verplicht nú een daad te stellen!

Bij de villa zijn de toeschouwers weg. Het smeulende, rokende huis is half ingestort en hier en daar zijn de binnenkanten van de woning zichtbaar.
Door de zwartgeblakerde raamsponningen is er zicht op kamers met verkoolde resten meubilair.
De brandweermannen hebben hun slangen weer opgerold en zijn bezig te vertrekken. Mensen in witte pakken sluiten de voor het huis geparkeerde ambulance en rijden weg. Een drietal agenten stapt in de politiewagen en verdwijnt eveneens in de schemering.
Vanuit de villa stijgen nog wat kleine rookwolkjes op en de zware brandlucht is tot ver in de omgeving te ruiken.
De stilte keert terug rondom de villa en in de vallende duisternis glijdt langzaam een half verkoolde, paarse fiets op de grond...

2 opmerkingen:

  1. Oh .... wat vreselijk! En wat geweldig knap geschreven.

    BeantwoordenVerwijderen
  2. Oh, heftig zeg. Zijn dochter was daar ook. Jemig.

    BeantwoordenVerwijderen